|
|
| Burgerjury Flevoland |
|
Korte projectbeschrijving In oktober 2004 is Provincie Flevoland begonnen met het tweede Omgevingsplan. In november 2006 moet dit plan definitief worden vastgesteld. Het eerste Omgevingsplan kende in het begin een traditionele opzet. Alles werd besproken in het reguliere bestuurlijke overleg. Halverwege werd het traject aangevuld (reden zie bij ‘waarom gekozen voor participatie?’) met openbare workshops op zaterdagen, waar burgers hun zegje konden doen en ook zelf tekeningen mee konden produceren. Dit plan kende twee nadelen. Het was nogal ambitieus; beleid en uitvoering waren onvoldoende aan elkaar gekoppeld. Bij de workshops (ondanks het mooie weer vaak volle zalen) zag je daarnaast steeds dezelfde koppen, zoals belangenvertegenwoordigers van de milieubeweging en de boerenorganisaties. Weinig jongeren en allochtonen lieten zich zien, oftewel ‘Niet heel Flevoland zat aan tafel.’ Bij het tweede Omgevingsplan werden de ‘deskundigen’ (ambtenaren, gebiedspartners) gekoppeld aan GS en de burgers, in het kader van het dualisme, aan PS, de statencommissie. Er zijn drie burgerjury’s geformeerd voor resp. Oostelijk, Zuidelijk en Noordelijk Flevoland. Deze jury’s zijn wel een afspiegeling van de bevolking. De jury’s, elk 15 personen sterk, adviseren over de kaders, zoals ‘welke kwaliteiten willen wij in Flevoland hebben?’ De jury’s worden begeleid door medewerkers van de Vrije Universiteit. Uitvoeringsperiode: 2004 - 2006 |
|
Waarom gekozen voor participatie? Eind jaren negentig verscheen een rapport van de B&A-groep over provincies. Volgens dit rapport stond het licht voor provincies op oranje. Om hun bestaan te legitimeren dienden zij onder andere veel meer met de burger te communiceren. Flevoland besloot dat meteen toe te passen bij het lopende proces van het eerste omgevingsplan, ook al waren daarvan de hoofdlijnen min of meer al vastgesteld. Bij het tweede omgevingsplan wilde men de burgervertegenwoordiging lichter maken. Bovendien had men te maken met het ingevoerde dualisme. Bij een discussie over het Markermeer was er gewerkt met een burgerjury. Dit beviel dusdanig goed dat men dit concept ook besloot toe te passen bij de ontwikkeling van het tweede omgevingsplan. Naast deze jury’s is er een internetpanel van een representatieve groep van ongeveer 450 mensen. Deze krijgen regelmatig stellingen voorgelegd, waarop tot op heden een respons van 60 tot 70 procent is. |
|
Doelen
- De burgerjury geeft advies over de kaders van het omgevingsplan
- De burgerjury geeft (mogelijk) advies over het concept-omgevingsplan van GS.
- Uiteindelijk moet het plan draagvlak onder de bevolking kennen. De ontwikkelingen bij de burgerjury’s staan op de website van de provincie en op provinciale pagina’s in de huis-aan-huiskranten.
- De burgers die in de jury plaatshebben, krijgen meer inzicht in het functioneren van de provincie.
|
|
Doelgroepen Een dwarsdoorsnede van de Flevolandse bevolking: in totaal 45 mensen in de jury’s en 450 in het internetpanel. |
|
Stappenplan Na een proefperiode waarin de leden van de jury door medewerkers van de VU werden getraind (zo vraagt het abstractieniveau van een omgevingsplan het nodige van de juryleden; ook het leren doorzien van eigen meningen of propaganda van deskundigen werd getraind) is in de eerste ronde, november 2004 – april 2005, aan de juryleden een aantal vragen voorgelegd. Denk hierbij aan: aan welke eisen moet de groei van Almere voldoen, wat vindt u van een mogelijke uitbreiding van het vliegveld bij Lelystad, wat moet er gebeuren met de vrijkomende gebouwen en erven uit de agrarische sector? Op drie zaterdagen zijn deskundigen kritisch aan de tand gevoeld. Het adviesrapport is voorgelegd aan de Statencommissie. Opvallend daarin was dat de jury’s in tegenstelling tot de bestuurders in Flevoland, niet zo worstelen met de identiteit van de provincie. Op problemen als de files en een tekort aan arbeidsplaatsen in de provincie zelf na, is men tevreden over de rust en de ruimte en de natuur van Flevoland. De behandeling in de Statencommissie van het eerste, unanieme, advies van de jury’s was inhoudelijk erg vlak en viel een aantal leden van de jury tegen. De fracties hielden hun kruit droog (men hoort ook liever verschillende ideeën in plaats van een unaniem advies), gingen inhoudelijk niet tot nauwelijks op het advies in, wilden van meer mensen hun mening horen en leken bijna meer geïnteresseerd in de uitkomsten van de stellingen bij het internetpanel. PS wacht liever eerst de hoofdlijnennota van GS af. Deze verschijnt in juni 2006. Ook hierover wordt advies aan de burgerjury’s gevraagd. |
|
Kosten 120.000 euro voor de werving, organisatie en begeleiding van de burgerjury’s. 15.000 euro voor het internetforum. |
|
Evaluatie De eerste behandeling van het advies van de jury’s in de statencommissie was voor een aantal juryleden teleurstellend. De vraag is of een aantal burgers die in deze jury’s zitten niet eerder meer weerzin tegen het politieke bedrijf cq. de provincie hebben gekregen ipv begrip voor het werk. Ook het duale systeem werkt voor de burger verwarrend. De politieke rationaliteit (vooral gebaseerd op profilering van het eigen politiek gedachtegoed) staat op gespannen voet met de bestuurlijke rationaliteit en de rationaliteit die een jury ontwikkelt, die een degelijke discussie over zijn advies verlangt. Deze constateringen hebben geleid tot bijstelling van het proces. De inhoudelijke beoordeling van de burgerjury adviezen wordt gekoppeld aan de bespreking van GS-producten, in plaats van de eerder gedachte kaderstelling voor GS aan de hand van de adviezen. Misschien is het in de toekomst beter zo’n jury aan GS te koppelen en de deskundigen en stakeholders (mede-overheden, belangenorganisaties, private partijen, samen genoemd de gebiedspartners) aan PS. Bij GS blijkt veel meer aandacht voor het werk en ‘de frisheid’ van de jury’s te bestaan. Een ander leerpunt is dat van tevoren duidelijk de spelregels moeten worden vastgesteld voor en door de politieke opdrachtgevers. De jury’s wisten wel dat zij slechts advies leveren en de politiek beslist, maar strakkere spelregels over de behandeling van het advies waren wel wenselijk geweest. Positief is de frisheid van de jury, zowel inhoudelijk als qua taalgebruik. Zij zijn niet bevooroordeeld en aardig is ook te zien hoe de groep groeit. Er wordt wel een groot beroep op hen gedaan: zij offeren voor niets een aantal avonden en zaterdagen op. Bovendien moeten zij leren abstract te denken en het provinciaal beleidsniveau te scheiden van het gemeentelijk beleidsniveau. |
|